Theorie

 

 

SENSE OF HOME

Mensen worden steeds ouder en daardoor vaak hulpbehoevender. Wanneer de toenemende zorg niet meer draagbaar is voor de directe omgeving, dringt de overstap naar een woonzorgcentrum zich op, Dit wordt helaas vaak als heel stresserend ervaren door de oudere.
Enerzijds impliceert de overgang naar het WZC een rouwproces: denk aan verlies van het eigen huis, zelfstandigheid, sociaal netwerk…
Anderzijds vraagt het van de oudere een grote aanpassing aan een geheel nieuwe omgeving. Een woonzorgcentrum heeft afspraken, een vast dagschema,… waardoor er minder ruimte is voor autonomie.
Een WZC lijkt op een totaalinstitutie. Deze term werd door de Amerikaanse socioloog Goffman in 1957 geïntroduceerd en verwijst naar het onderzoek dat hij voerde over de invloed van grote instellingen op het individu. Eigen aan een totaalinstitutie is dat men er 24 uur per dag verblijft en waarbij de levenssferen (werken, wonen en recreatie) zich daar situeren. Bewoners gaan hier samenleven met leeftijdsgenoten en/of andere mensen met een gelijkaardige problematiek waarvan ze het gezelschap niet zelf hebben gekozen (Maelstaf, 2013).
De plaats die we onze thuis noemen en onze eigen identiteit zijn verbonden met elkaar. Hoe anderen ons zien wordt onder meer bepaald door de plek waar we wonen. Mensen zijn vaak trots op deze plek. Wanneer ouderen de stap (moeten) zetten om in een residentiële voorziening te gaan wonen (Falk et al., 2012) heeft dit invloed op hun sociale identiteit.
Het is voor ouderen moeilijk om een plek, waar ze zoveel professionele zorg krijgen, hun thuis te noemen. De combinatie van formele regels van de organisatie en informele regels die thuis gelden vormen een unieke en complexe manier van zorg (Falk et al., 2012). Het is belangrijk dat er een aangenaam leefklimaat geschept wordt in woonzorgcentra. Dit klimaat omvat enerzijds een sfeer tussen personen, maar bestaat anderzijds uit materiële zaken en immateriële gebeurtenissen. De sfeer die door een omgeving gecreëerd wordt roept steeds een bepaald gevoel op. Om a sense of home te bereiken kunnen woonzorgcentra een leefklimaat te scheppen dat een thuisgevoel oproept bij haar bewoners (Bruininks, 2000).
Falk et al. (2012) voerden in Zweden een onderzoek naar de factoren die ervoor zorgen dat ouderen zich al dan niet thuis kunnen voelen in woonzorgcentra.
Attachment to place
Het kunnen creëren van een thuisgevoel hangt samen met de plaats die thuis genoemd wordt. ‘Attachment to place’ of het zich hechten aan die plaats kan volgens Falk et al. (2012) op verschillende manieren gestimuleerd worden. Zo lijkt het van belang te zijn dat een bewoner de controle en leiding kan bewaren over zijn thuis. Ook het doorbrengen van tijd in de kamer of woning en het zich eigen maken van deze ruimte zou daarnaast het creëren van een persoonlijk nest mogelijk maken.
attachment to space
Een plaats is natuurlijk ook omgeven door een ruimere context waarbij het vormen van relaties en verbondenheid centraal staat. Zo menen Falk et al. (2012) dat men zich gemakkelijker zal hechten aan een woonplaats wanneer er een mogelijkheid bestaat om vriendschappen te vormen en deze ook te onderhouden door bijvoorbeeld te kunnen deelnemen aan activiteiten samen. Belangrijk dat dit volgens eigen voorkeuren kan gebeuren! Autonomie is hier dus een kernbegrip. Het kunnen tonen van de eigen persoonlijkheid, mag niet worden onderschat.
attachment beyond the institution
Niet enkel verbondenheid met nabije context, maar ook met aspecten over de thuisomgeving heen, kunnen bijdragen aan het vormen van een thuisgevoel. Zo kan iemand in staat worden gesteld om contact met de buitenwereld te blijven bewaren en dit door bijvoorbeeld bezoek te ontvangen, een telefoontje te plegen of op uitstap te gaan. Een tweede manier om dit soort hechting te vergemakkelijken, is door de nieuwe verblijfplaats te beschouwen als een tijdelijke oplossing. Thuis ligt dan ergens anders.
Falk et al. (2012) beschrijven psychosociale processen die het creëren van een thuisgevoel via de hechtingsprocessen kunnen ondersteunen of eerder belemmeren.
Ondersteunende psychosociale processen hebben te maken met verzoening. Om te beginnen het accepteren dat men minder kan en dat het einde van het leven nadert. Daardoor wordt de verhuis naar een woonzorgcentrum minder gezien als iets dat moet, maar eerder als iets dat het einde van het leven comfortabeler kan maken (Falk et al, 2012).
Verzoening betekent ook aandacht kunnen hebben voor de mooie kant van het leven, ipv te blijven stilstaan bij de negatieve aspecten van een residentiële voorziening. Dan wordt het duidelijk worden dat het personeel, ondanks beperkte middelen, zijn best doet (Falk et al, 2012).
Terugblikken op wat men allemaal heeft bereikt in het leven helpt om dit tevreden af te ronden (Falk et al, 2012). Het is belangrijk om de eigen biografie voldoende in beeld te laten komen. Wanneer de oudere terugkijkt op zijn eigen leven, dan kan men zich verzoenen met het naderende einde.
Uiteraard is waardering van mensen in zijn nieuwe thuis als in de ruimere omgeving essentieel. Hierbij kan het contact met het personeel een grote rol spelen. Stellen zij zich betrouwbaar op? Dan zal de bewoner zich meer gewaardeerd voelen (Falk et al, 2012). Dit positieve contact met personeel bevordert overigens de zelftranscendentie bij de ouderen. Dit concept gaat over het welzijn in de late volwassenheid. Ouderen worden gezien als een kwetsbare groep, ze worden geconfronteerd met ziekten en de dood van anderen. Ze overstijgen zichzelf als het ware. Ze maken een balans op van hun leven en ondergaan bijgevolg een zoektocht naar betekenis, hoop en integriteit.
De kwaliteit van zorgen en de interactie tussen een zorgkundige en cliënt beïnvloedt zelftranscendentie en welbevinden in bij bewoners van een woonzorgcentrum. (Hanssen, Haugan & Moksnes, 2013).
Er spelen vaak psychosociale processen die hechting en dus sense of home belemmeren.
Wanneer de oudere niet kan accepteren dat hij oud en zwak wordt, zal hij onmacht ervaren wanneer hij hulpbehoevend wordt omdat het wordt ervaren als een verlies van identiteit. De aanpassing aan het leven in het WZC en het afscheid nemen van zaken uit het verleden vallen dan heel zwaar en lijden soms tot schaamte en isolement. (Falk et al., 2012).
De oudere voelt zich soms als een last voor zichzelf en anderen. Dit vermindert de eigenwaarde en de zelfzekerheid. Familieleden en naasten zien vaak redenen voor een opname, maar wanneer de oudere niet in staat is om de onderbouwde redenen te erkennen, zal hij zich krachteloos, waardeloos en weggestuurd voelen (Falk et al., 2012). Daarnaast kan ook de samenleving ervoor zorgen dat een oudere zich aan de kant geschoven voelt. Er heersen namelijk stereotiepe sociale percepties over ouderen, waardoor ze zichzelf nog minder waard gaan vinden (Falk et al., 2012).
De waardigheid van de oudere komt in het gedrang wanneer hij lang moeten wachten op hulp, wanneer zijn wensen worden genegeerd, wanneer iemand de privésfeer binnendringt, wanneer de andere hem het gevoel geeft niks waard te zijn, wanneer hij zelf het gevoel heeft niks aan de situatie te kunnen veranderen,… Hij kan uiteindelijk de hoop opgeven (Falk et al., 2012).
Vooral wanneer de oudere een ander beeld had over het leven in de voorziening dan hoe het er in werkelijkheid aan toe gaat, verhoogt de teleurstelling en frustratie. Falk et al., 2012).

Bewoners willen naast autonomie en verbondenheid ook hun eigenheid behouden in het woonzorgcentrum. Door een luisterend oor te bieden, kan men een bewoner de mogelijkheid geven om te tonen wie hij echt is. Hierbij wordt de focus verlegd van de zorgnoden en gebreken waarmee de bewoner kampt, naar de facetten van de identiteit of van het verleden waarop de bewoner trots is. Hiermee kan opnieuw controle over het eigen leven en een gevoel van waardigheid aan de bewoner worden teruggegeven.
Om hun identiteit te beschermen hanteren ouderen verschillende strategieën. Door alert te zijn voor de stem waarmee een bewoner zich uitdrukt, kunnen deze strategieën elk op een aangepaste manier ondersteund worden. Zo kan men ouderen helpen in hun verwerkingsproces, in het onderhouden van contacten, in het uniek voelen, in het behouden van de regie en in het ontwikkelen van gerotranscendentie.
Het ‘sense of self’-model vertrekt vanuit de individuele ondersteuningsvraag van de oudere en geeft tools om daarop een gepast antwoord te formuleren op micro-, meso- en macroniveau. Het is een overzichtelijk model, dat zich makkelijk leent tot opleiding, vorming en implementatie in de praktijk. Het zet in op de kwaliteit van de zorgrelatie.
We sluiten graag af met enkele bedenkingen.
Gezien een verhuis steeds langer wordt uitgesteld, kan het gebeuren dat deze beslissing halsoverkop genomen wordt. Een goede voorbereiding op een verhuis of verhuizen vooraleer men echt afhankelijk is, geeft de bewoner de beste kansen om zich thuis te kunnen voelen in het WZC.
Hoe kwetsbaarder en afhankelijker de ouderen, hoe meer aangeraden het lijkt om gebruik te maken van kwalitatieve onderzoeksmethoden, waarbij wordt geluisterd naar ‘meerstemmigheid’ in het spreken. Voorbeelden hiervan zijn de groeiende groep allochtone ouderen, ouderen met dementie, ouderen met een beperkt netwerk of ouderen met meerdere gezondheidsklachten die al dan niet slecht ter been zijn.